Denemarken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Denemarken.
De vlag van Denemarken.

Nederlands

demoniem
inwoner Deen
inwoonster Deense
bijvoeglijk Deens
Uitspraak
Woordafbreking
  • De·ne·mar·ken
enkelvoud meervoud
naamwoord Denemarken -
verkleinwoord - -

Eigennaam

Denemarken o

  1. (toponiem: land) een Scandinavisch land in Noord-Europa
    Hij heeft vier jaar in Denemarken gewoond en spreekt dus goed Deens.
    Kopenhagen is de hoofdstad van Denemarken.
Verwante begrippen
Landen in Europa in het Nederlands
AlbaniëAndorraArmeniëAzerbeidzjanBelgiëBosnië en HerzegovinaBulgarijeDenemarkenDuitslandEstlandFinlandFrankrijkGeorgiëGriekenlandHongarijeIerlandIJslandItaliëKazachstanKroatiëLetlandLiechtensteinLitouwenLuxemburgMacedoniëMaltaMoldaviëMonacoMontenegroNederlandNoorwegenOekraïneOostenrijkPolenPortugalRoemeniëRuslandSan MarinoServiëSloveniëSlowakijeSpanjeTsjechiëTurkijeVaticaanstadVerenigd KoninkrijkWit-RuslandZwedenZwitserland
Vertalingen

Meer informatie


West-Vlaams

Eigennaam

Denemarken

  1. (toponiem: land) Denemarken
    «Denemarken is e land in Scandinoavië met e grôte 5 meljoen iweuners
    Denemarken is een land in Scandinavië met een grote 5 miljoen inwoners.


Zeeuws

Eigennaam

Denemarken

  1. (toponiem: land) Denemarken
    «Denemarken, Noorwegen, Zweden en Finland zien de Scandinavische lan'n in Noord-Europa.»
    Denemarken, Noorwegen, Zweden en Finland zijn de Scandinavische landen in Noord-Europa.