Angst

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: angst

Inhoud

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • Angst
Woordherkomst en -opbouw
  • Komt van het Middelhoogduitse angest, dat zijnerzijds uit het Oudhoogduitse angust (engheid, nauw, nauwheid, beklemming) stamt. Dit woord is verwant met het Oudhoogduitse angi, engi (nauw, eng).

Zelfstandig naamwoord

Angst m

  1. een gevoelstoestand die gepaard gaat met benauwdheid, beklemming en opwinding (gezien een gevaar); een onduidelijk gevoel van dreiging.
    «Nur keine Angst
    Wees maar niet bang!
    «Sie waren starr vor Angst
    Ze stonden stijf van de schrik.
    «Er hatte Angst um sein Leben.»
    Hij was bang voor zijn leven.
    «Der Glaube an Gespenster, an böse Geister, anders auch Teufel genannt, ist ja sicherlich älter als der eigentliche Gottesglauben, denn aus der Angst vor bösen, unerklärlichen Mächten ist aller Kultus entstanden.[1]»
    Het geloof in spoken en in kwade geesten, anders ook de duivel genoemd, is zeker ouder dan het eigenlijke godsgeloof, want alle cultus is ontstaan uit de angst voor kwade, onverklaarbare machten.
    «Doch der fühlt sich selbst als Opfer und bestreitet jede Mittäterschaft - wie die meisten der über zwei Millionen ruandischen Hutu, die im Juli 1994 ihr Land aus Angst vor Rachemorden verließen und sich in den Lagern jenseits der Grenzen ihrer Heimat in kollektives Vergessen flüchteten. [...] Zwei Tage lang wagte er es nicht, ein Feuer für seinen Maisbrei zu entfachen, aus Angst, entdeckt zu werden.[2]»
    Maar hij voelt zichzelf slachtoffer en ontkent iedere medeplichtigheid - zoals de meesten van de boven de twee miljoenen ruandische Hoetoes, die in juli 1994 uit vrees voor wraakmoorden hun land hebben verlaten en naar de kampen aan de andere kant van hun vaderland gevlucht zijn in collectieve vergetelheid. [...] Twee dagen lang waagde hij niet een vuurtje voor zijn maïspap te stoken uit vrees om ontdekt te worden.
    «Ich bin fast vor Angst gestorben!»
    Ik ben bijna van angst bezweken!
    «Krieger, das sind auch die jungen Kerle, die in Eilat oder Madrid oder London oder Köln Bomben in U-Bahnen und Vorortzügen platzieren, um Passagiere zu verletzen und zu töten und das Medienpublikum mit Angst und Schrecken zu versorgen.[3]»
    Krijgers, dat zijn ook de jonge kerels, die in Eilat of Madrid of London of Keulen de metro's en treinen met bommen bestoken om passagiers te verwonden, dood te maken en om het mediapubliek van angst en beven te voorzien.
Opmerkingen
  • In de vaktaal van de psychologie en filosofie wordt (dikwijls) gedifferentiëerd tussen "Angst" als ongemotiveerd, niet objectgerelateerd en "Furcht" als objectgerelateerd; in de algemeene taal is deze differentiatie niet gebruikelijk.
Verbuiging
enkelvoud meervoud
nominatief die Angst die Ängste
genitief der Angst der Ängste
datief der Angst den Ängsten
accusatief die Angst die Ängste
Synoniemen
Antoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden

Angst ausstehen

  • Angst/schrik uitstaan.

Angst befällt / beschleicht / ergreift / quält jemandem

  • Angst maakt zich van iemand meester / angst bekruipt iemand / angst grijpt iemand aan.

Angst bekommen

  • Angst/schrik krijgen.

Angst beschleicht jemanden

  • Vrees besluipt iemand.

Angst für jemanden haben

  • Bang zijn dat iemand iets overkomt.

Angst haben

  • Angst/schrik hebben, bang zijn, vrezen.

Angst um jemanden haben

  • Zich zorgen over iemand maken, zich bezorgd maken over iemand.

(formeel) Angst leiden

  • Angst/schrik doorstaan.

Angst und Schrecken (erzeugen, hervorrufen, verbreiten)

  • Schrik of angst (opwekken, veroorzaken, verspreiden).

jemandem sitzt die Angst im Nacken

  • De angst is iemand om het hart geslagen, iemand is goed bang, de angst zit er bij iemand goed in.

die scheißende Angst

  • De folterende angst.

eine wachsende Angst befällt / beschleicht / quält jemanden

  • Een groeiende angst overvalt / besluipt / kwelt iemand.

eine würgende Angst befällt / beschleicht / quält jemanden

  • Een wurgende angst overvalt / besluipt / kwelt iemand.

eine bodenlose Angst befällt / beschleicht / quält jemanden

  • Een bodemloze angst overvalt / besluipt / kwelt iemand.

eine panische Angst befällt / beschleicht / quält jemanden

  • Een panische angst overvalt / besluipt / kwelt iemand, een panische schrik bevangt iemand.

es mit der Angst (zu tun) bekommen / es mit der Angst (zu tun) kriegen

  • (Plots) bang worden, in paniek raken, het benauwd krijgen, van de schrik bekomen.

in (ewiger) Angst leben

  • (Voortdurend) in angst zitten.

in Angst sein

  • Bang/bevreesd zijn.

in Angst um jemanden sein

  • Zich over iemand ongerust/zorgen maken.

jemanden in Angst (und Schrecken) versetzen

  • Iemand vrees/schrik aanjagen.

in tausend Ängsten schweben

  • Duizend angsten uitstaan, duizend doden sterven; in hevige onrust zijn.

jemandem Angst machen / jemandem Angst und Bange machen

  • Iemand bang maken, iemand vrees aanjagen.

jemandem durch etwas Angst bereiten / (formeel) einflößen / einjagen / (informeel) machen of jemandem mit etwas Angst bereiten / (formeel) einflößen / einjagen / (informeel) machen

  • Iemand met vrees/schrik aanjagen.

(informeel) jemandem steckt / sitzt die Angst in den Knochen

  • De angst is iemand om het hart geslagen, iemand is goed bang, de angst zit er bij iemand goed in.

keine Angst kennen

  • Voor geen kleintje vervaard zijn.

(schertsend) mehr Angst als Vaterlandsliebe haben

  • Erg bang zijn voor zijn eigen schaduw.

(informeel) sich vor Angst in die Hose(n) machen / sich vor Angst in die Hose(n) scheißen

  • Het van angst in zijn broek doen.

tausend Ängste ausstehen

  • Duizend angsten uitstaan.

von panischer Angst befallen werden

  • Door een panische schrik overvallen worden.

vor Angst / (intensiverend) vor lauter Angst

  • Van (pure) angst, van (pure) schrik.

vor lauter Angst zittern

  • Van (pure) angst/schrik sidderen / beven / bibberen.
Spreekwoorden

Angst verleiht Flügel.

  • Angst geeft vlugels.

Angst ist ein schlechter Ratgeber.

  • Angst is een slechte raadgever.

Angst macht auch den Alten laufen.

  • Angst en vrees laat de ouden lopen (in een angstsituatie doet men dingen die men anders niet zou doen).

Angst und Not macht ein alt Weib traben.

  • Die bang is voor de bladeren, moet niet jagen in het bos.

Angst und Schrecken bringt den Lahmen auf die Beine.

  • Angst en vrees laat de ouden lopen (in een angstsituatie doet men dingen die men anders niet zou doen).

Auf Angst und Schweiß folgt Ruh' und Preis.

  • Na een fysieke of mentale uitputtende inspanning volgt meestal rust.

Die Angst hat tausend Namen.

  • Angst komt voor bij ieder mens en in iedere situatie op een verschillende manier.

Ehrlich währt am längsten, schuftig lebt in Ängsten.

  • Eerlijk(heid) duurt het langst, schofterig leeft in angst.

In Angst und Schrecken trabt (auch) ein alter in Säcken.

  • Angst en vrees laat de ouden lopen (in een angstsituatie doet men dingen die men anders niet zou doen).

(verouderend) In der Angst frisst der Teufel Fliegen.

  • In een angstsituatie doet men dingen die men anders niet zou doen.

Wagemut überdeckt große Angst.

  • Onder (een vertoon van) durf gaat grote angst schuil.

Wer Angst hat, lebt länger.

  • Iemand die vaak bang is, gaat over het algemeen voorzichtiger door het leven en loopt geen gevaar om door overmoed of lichtzinnigheid een dodelijk ongeval te ondergaan.
Afgeleide begrippen
Gelijkklinkende woorden
Citaten
  1. Duitse Wikisource; Elisabeth von Heyking: Briefe, die ihn nicht erreichten, 15. oplage, Verlag von Gebrüder Paetel, Berlin 1903
  2. Online-uitagve van de Spiegel, het artikel Angst vor Rache van 05.05.1997
  3. Online-uitgave van de tageszeitung, het artikel Die Krieger sind zurück van 02.02.2007
Persoonlijke instellingen