zwatelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwa·te·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zwatelen
zwatelde
gezwateld
zwak -d volledig

Werkwoord

zwatelen

  1. inergatief een lispelend, ruisend geluid maken
    • De bladeren zwatelden in de avondbries. 
  2. inergatief zinloos doorpraten, nietszeggende woorden spreken
    • En die man zwatelde nog een uur over ik weet niet wat. 

Gangbaarheid

27 % van de Nederlanders;
15 % van de Vlamingen.