zonnekind

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zon·ne·kind
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zonnekind zonnekinderen
verkleinwoord zonnekindje zonnekindjes

Zelfstandig naamwoord

zonnekind o [1]

  1. iemand die op een makkelijke, onschuldige manier een prettig leven lijdt
    • Dat het er in hippiecommunes vaak minder rooskleurig aan toegaat en dat zijn eigen vriendenclub echt geen uitzondering zal zijn, doet niets af aan de beelden, die als béélden overtuigen en in hun vrolijke onbezorgdheid doen denken aan de onschuldige, experimentele foto's van springende mensen die het Franse zonnekind Jacques Henri Lartigue aan het begin van de vorige eeuw maakte. [2] 
    • ’Zijn overstap naar Buitenlandse Zaken betekent dat Nicolaï voor het eerst in zijn leven echt moet werken. ‘Bij de Raad en als Tweede-Kamerlid was het altijd tralala voor Atzo, als een zonnekind wandelde hij er doorheen. Nu krijgt hij iedere dag van die grote tassen vol stukken mee. Dat is goed, Nicolaï heeft uitdaging nodig’, stelt Holtrust.[3] 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen