zesvoud

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zes·voud
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zesvoud zesvouden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zesvoud o

  1. zes maal zo grote hoeveelheid
  2. (wiskunde) natuurlijk getal dat deelbaar is door zes
Uitdrukkingen en gezegden
  • in zesvoud
[1] in de vorm van zes identieke exemplaren, dat wil zeggen: met vijf kopieën erbij

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als bijwoord

Bijwoord

zesvoud

  1. zesmaal, op zes manieren, in zes opzichten, in zes onderdelen
    • Gitaar, zedig en bezeten.
      Gitaans en kerkplechtig. Spelers
      Kwamen en gingen; vergeten
      Rustte ze in stof, dagen, weken:
      Een voorwerp van welgesneden
      Hout, zesvoud besnaard, gebleven.
       [2]

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen