pralen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pra·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
pralen
praalde
gepraald
zwak -d volledig

Werkwoord

pralen

  1. inergatief of op een andere manier laten schitteren, prachtig vertonen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders
85 % van de Vlamingen.