triomferen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tri·om·fe·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zegevieren’ voor het eerst aangetroffen in 1511 [1]
  • afgeleid van het Franse triompher (met het achtervoegsel -eren) [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
triomferen
triomfeerde
getriomfeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

triomferen [3]

  1. inergatief de overwinning (triomf) behalen of behaald hebben, zegevieren
    • Er werd die dag getriomfeerd. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen