triomferen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tri·om·fe·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
triomferen
triomfeerde
getriomfeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

triomferen [2]

  1. (inergatief) de overwinning (triomf) behalen of behaald hebben, zegevieren
    Er werd die dag getriomfeerd.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal