zakenreiziger

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • za·ken·rei·zi·ger
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zakenreiziger zakenreizigers
verkleinwoord zakenreizigertje zakenreizigertjes

Zelfstandig naamwoord

zakenreiziger m

  1. (beroep) iemand die voor zijn werkgever regelmatig reist
    • Dit restaurant is altijd populair geweest bij zakenreizigers. 

Gangbaarheid