witsel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wit·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord witsel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

witsel o [1]

  1. stof waarmee men iets wit kan maken
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

64 % van de Nederlanders;
51 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen