witten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wit·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
witten
witte
gewit
zwak -t volledig

Werkwoord

witten

  1. overgankelijk een muur wit maken met kalk

Zelfstandig naamwoord

witten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord wit

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be