wildheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wild·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van wild met het achtervoegsel -heid
enkelvoud meervoud
naamwoord wildheid wildheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

wildheid v [1]

  1. het onrustig en ongetemd zijn
    • Het uiteindelijke beeld is denk ik wel realistisch en typisch Overijssels. Natuurlijk bestaat er ook een andere Overijssel, met religie of kunst. Maar de rauwheid, wildheid en combinatie met hard werken past heel goed bij deze streek.” [2] 
    • De wildheid uit de tijd van de Roxy is nu in banen geleid. Het uitgaansleven is meer gecontroleerd en de clubs en party's moeten aan allerlei veiligheidseisen voldoen, zegt Floor van Bakkum van Jellinek Preventie. Er is nauwelijks nog een undergroundbeweging. Die is net als de rafelranden van de stad verdwenen, stelt Ton Nabben, drugsonderzoeker bij de UvA. [3] 
    • The Sellout is een bijtende satire over de relaties tussen rassen in de VS. "Het duikt in het hart van de hedendaagse Amerikaanse samenleving met een wildheid van een soort die ik niet meer heb gezien sinds Swift of Twain," vergeleek een van de vijf juryleden de schrijver met grote auteurs uit het verleden. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Verwijzingen