wereldlijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • we·reld·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen wereldlijk wereldlijker wereldlijkst
verbogen wereldlijke wereldlijkere wereldlijkste
partitief wereldlijks wereldlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

wereldlijk

  1. betrekking hebbend op deze wereld, in tegenstelling tot met name het hiernamaals of de kerk
    • De koning vertegenwoordigde de wereldlijke, de paus de geestelijke macht. 
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie