wereldlijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • we·reld·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen wereldlijk wereldlijker wereldlijkst
verbogen wereldlijke wereldlijkere wereldlijkste
partitief wereldlijks wereldlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

wereldlijk

  1. betrekking hebbend op deze wereld, in tegenstelling tot met name het hiernamaals of de kerk
    De koning vertegenwoordigde de wereldlijke, de paus de geestelijke macht.
Antoniemen
Vertalingen