wachttoren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

wachttoren kamp Vught
Uitspraak
Woordafbreking
  • wacht·to·ren
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wachttoren wachttorens
verkleinwoord wachttorentje wachttorentjes

Zelfstandig naamwoord

wachttoren m [1]

  1. toren waarop een persoon de omgeving in de gaten houd om alarm te kunnen slaan als er een ongewenste situtie ontstaat
    • De soldaat moest tijdens de ijskoude nacht op wacht staan op de wachttoren. 
    • Een Noord-Koreaanse grenswacht kijkt aan de Chinese grens uit het raam van zijn wachttoren. [2] 
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC 28 december 2016
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be