waai

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • waai
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘kolk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1139 [1]

Werkwoord

waai

vervoeging van
waaien

waai

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van waaien
    • Ik waai. 
  2. gebiedende wijs van waaien
    • Waai! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van waaien
    • Waai je? 

Verwijzingen