kruin

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kruin
enkelvoud meervoud
naamwoord kruin kruinen
verkleinwoord kruintje kruintjes

Zelfstandig naamwoord

kruin v/m

  1. het bovenste deel van het hoofd, dat gewoonlijk met haar bedekt is
    • In sommige kloosterordes hebben de monniken een kruinschering of tonsuur, waarbij het haar van de kruin wordt weggeschoren. 
  2. het bovenste deel van een boom waar de bladeren zitten
    • Je zag vanuit de ramen de kruinen van twee grote platanen. [1] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Sandes, David De wondermethode 2006 ISBN 9044509543 pagina 121