volheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vol·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord volheid
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

volheid v [2]

  1. het helemaal gevuld zijn zonder dat er iets ontbreekt; het helemaal perfect zijn
    • Donker, somber. Zo zag de kerk van Zwillbrock eruit toen Edgar Jetter haar in 1958 voor het eerst betrad. Maar onder de lagen bruine verf vond hij de kleurrijke barokke kerk terug, die in 1748 was ingewijd. „Inmiddels spiegelt hier de volheid van de hemel weer op aarde neer." [3] 
    • Die volheid van het leven is mooi. Tegelijk merk ik dat het goed is om soms met een boeddhistische bril naar het leven te kijken. Wat Boeddha 2500 jaar geleden zei, kan nu nog een enorme inspiratiebron zijn." [4] 
    • ‘Al wie heeft geleefd, weet dat de volheid van het leven niet alleen uit feest maar ook uit kwetsuren bestaat. [5] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.


Verwijzingen