virologie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

virologisch veldwerk tijdens ebola epidemie
Uitspraak
Woordafbreking
  • vi·ro·lo·gie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord virologie
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

virologie v [2]

  1. (biologie) (medisch) leer van de virussen en de door virussen veroorzaakte ziektes
    • Door hun onderzoek weten de onderzoekers nu ook waarom eerdere vaccins niet goed werken: de eiwitten die daarin zitten, hebben niet dezelfde structuur als het envelopeiwit dat om het hiv-virus zit. „Daardoor worden antistoffen opgewekt tegen de verkeerde onderdelen van het envelopeiwit”, legt viroloog Rogier Sanders van het laboratorium voor Experimentele Virologie van het AMC uit.[3] 
    • Volgens de hoogleraar klinische virologie zijn gezondheidswerkers in Nederland voldoende voorbereid en alert om de goede vragen te stellen en om ebola op die manier snel op te sporen, en zullen ebolagevallen in Nederland dus niet snel gemist worden.[4] 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. virologie op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. de Telegraaf 19 jun. 2015
  4. de Telegraaf 20 okt. 2014
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be