vetplant

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vet·plant
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vetplant vetplanten
verkleinwoord vetplantje vetplantjes

Zelfstandig naamwoord

vetplant v/m [1]

  1. een plant die water opslaat in een deel van zijn lichaam en daardoor lang kan overleven in een droog klimaat
    • Het huis ademt de sfeer van de jaren vijftig en zestig. Vitrages voor de ramen, vetplanten op de vensterbank, een houten piano. Een vierkante televisie naast een grote kast vol ooit gelezen boeken, nu rustend in vergeelde banden. In de gang, naast de rollator, nette stapeltjes oude kranten en tijdschriften.[2] 
    • Ook de flora en fauna zijn uniek. Tafelbergen vormen ecologische eilanden met soorten die veelal nergens anders voorkomen. „Kijk, deze soort is 400.000 jaar oud”, wijst Gabriel naar een vetplant. Verderop staat een bosje insektenetend groen. De scherpe indiaan ontwaart ook een zeldzaam zwart oerpadje dat niet springt maar kruipt.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf MARJOLEIN SCHIPPER 13 feb. 2016
  3. de Telegraaf KIERAN KAAL 22 sep. 2015


Afrikaans

Woordafbreking
  • vet·plant
enkelvoud meervoud
naamwoord vetplant vetplante
verkleinwoord vetplantjie vetplantjies

Zelfstandig naamwoord

vetplant

  1. vetplant
    «Die aalwyn of aalwee (Aloe) is 'n eensaadlobbige vetplant
    De aloë is een eenzaadlobbige vetplant.