vervroegen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·vroe·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vervroegen
vervroegde
vervroegd
zwak -d volledig

Werkwoord

vervroegen

  1. overgankelijk iets eerder laten plaatsvinden
    • Hij wil de geplande verkiezingen met een jaar vervroegen. 
Antoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.