verpoten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·po·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verpoten
verpootte
verpoot
zwak -t volledig

Werkwoord

verpoten

  1. overgankelijk ergens anders poten
    • We moeten de planten nog verpoten. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.