verkruimelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·krui·me·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verkruimelen
verkruimelde
verkruimeld
zwak -d volledig

Werkwoord

verkruimelen

  1. overgankelijk tot kruimels maken
    • Ze verkruimelde wat geroosterd brood en paneerde het vlees ermee. 
  2. ergatief tot kruimels worden
    • De koekjes waren helemaal verkruimeld. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.