vergezellen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·ge·zel·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vergezellen


vergezelde


vergezeld


zwak -d volledig

Werkwoord

vergezellen

  1. (overgankelijk) met iemand meegaan
    De scholier werd vergezeld door zijn grootouders.
Vertalingen