verarmen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·ar·men
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van arm met het voorvoegsel ver-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verarmen
verarmde
verarmd
zwak -d volledig

Werkwoord

verarmen

  1. (ergatief) armer worden
    De bevolking verarmt sterk door de economische crisis.
  2. (ergatief) minder divers worden, in aanbod verminderen
    Door de kruisbestuiving verarmt de biodiversiteit.
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.