uitzuigen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·zui·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitzuigen
zoog uit
uitgezogen
klasse 2 volledig

Werkwoord

uitzuigen

  1. overgankelijk het vocht uit een vrucht of een dier zuigen
    • Een spin maakt eerst het lichaam van haar slachtoffer vloeibaar om het vervolgens uit te zuigen. 
  2. overgankelijk (politiek) iemand economisch uitbuiten
    • Volgens het socialisme worden arbeiders uitgezogen. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be