tweekleppige

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

tweekleppige uit de familie Pectinidae
Uitspraak
Woordafbreking
  • twee·klep·pi·ge
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tweekleppige tweekleppigen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

tweekleppige m

  1. (weekdieren) een dier dat behoort tot de klasse Bivalvia
    • Oesters en mossels zijn de bekendste tweekleppigen. 

Bijvoeglijk naamwoord

tweekleppige

  1. verbogen vorm van de stellende trap van tweekleppig


Meer informatie

Gangbaarheid