trotseren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trot·se·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘het hoofd bieden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1628 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
trotseren
trotseerde
getrotseerd
zwak -d volledig

Werkwoord

trotseren

  1. overgankelijk niet laten afschrikken door iemand of iets
    • De storm trotseren. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen