tolboom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

tolboom
Uitspraak
Woordafbreking
  • tol·boom
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tolboom tolbomen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tolboom m [1]

  1. een hek dat de weg afsluit en pas opengaat als men de tol heeft betaald
Synoniemen
Hyperoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders;
49 % van de Vlamingen.

Verwijzingen