terugblikkend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·rug·blik·kend
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen terugblikkend
verbogen terugblikkende

Bijvoeglijk naamwoord

terugblikkend

  1. terugkijkend naar het verleden
    • In dat verhaal komen veel terugblikkende elementen voor. 
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
terugblikken

terugblikkend

  1. onvoltooid deelwoord van terugblikken

Gangbaarheid