terugbellen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·rug·bel·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
terugbellen
belde terug
teruggebeld
zwak -d volledig

Werkwoord

terugbellen

  1. inergatief een eerder telefoongesprek beantwoorden
    • Nee, hij heeft nog niet teruggebeld. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.