tembaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tem·baar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen tembaar tembaarder tembaarst
verbogen tembare tembaardere tembaarste
partitief tembaars tembaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

tembaar [1]

  1. van iets wilds dat het onder menselijke controle te brengen is
    • Woede dreigde zich van mij meester te maken. Had ik me nog zo voorgenomen dit jaar het moeilijk tembare beest in mij met rust te laten, voelde ik hem tijdens B&W toch weer bewegen. Heeft het aantal doden, vermisten en daklozen in Zuidoost-Azië een recordhoogte bereikt, zitten op verzoek van de programmaredactie mannen zich onder leiding van Hanneke Groenteman druk te maken over een (mogelijk) inschattingsfoutje van minister van binnenlandse zaken Remkes. Hypes zijn Gefundenes Fressen voor mijn beest. [2] 
    • „Je moet op drie niveaus aan de knoppen draaien, dan wordt het probleem tembaar. Eerst internationaal: de staatsschulden zullen voor een deel kwijtgescholden moeten worden. [3] 
    • Vertederend is dat ze hem ruig hebben willen maken. Er zijn meer kleintjes met een sloot vermogen. Je hebt een Polo GTI en de felste Seat Ibiza, of de iets grotere Volvo V40 T4 – allemaal snel, maar op zijn burgerlijkst, tembaar. Deze heeft wat de pitbullman in zijn hond zoekt; het beetje gevaar, dat licht onberekenbare, het idee dat je hem nog maar net de baas kunt blijven, alles wat mannen zoeken die de jacht zo missen. [4] 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Guus van Holland 6 januari 2005 Leed en de macht van het getal
  3. NRC Steven Verseput 7 december 2013 Werkloos maar genoeg te doen
  4. NRC Bas van Putten 8 februari 2014 Het frutseltje is heel wat mans
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be