televisiescherm

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·le·vi·sie·scherm
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord televisiescherm televisieschermen
verkleinwoord televisieschermpje televisieschermpjes

Zelfstandig naamwoord

televisiescherm o

  1. De voorkant van een televisie waarop het beeld te zien is, vroeger vooral een kathodestraalbuis (beeldbuis), tegenwoordig een plasma- of lcd-scherm


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.