suppleren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sup·ple·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
suppleren
suppleerde
gesuppleerd
zwak -d volledig

Werkwoord

suppleren

  1. overgankelijk een toevoeging verstrekken
    • Veel mensen suppleren hun dagelijkse inname aan vitamines met pillen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

53 % van de Nederlanders
28 % van de Vlamingen.