suppleerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sup·pleer·de

Werkwoord

vervoeging van
suppleren

suppleerde

  1. enkelvoud verleden tijd van suppleren
    • Ik suppleerde. 
    • Jij suppleerde. 
    • Hij, zij, het suppleerde.