strijdros

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • strijd·ros
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord strijdros strijdrossen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

strijdros o

  1. paard dat men gebruikt in de oorlog en tijdens riddertoernooien
    • De Middeleeuwen waren een boeiende, kleurrijke, maar ook harde tijd, blijkt tijdens de openingsceremonie van het Festijn. Op de trappen van de Ridderzaal inspecteert graaf Floris V, die rond 1280 zijn kasteel op het Binnenhof uitbouwde met deze fraaie ontvangstzaal, zijn manschappen. Wil zijn verwant, heer Dirk van Teijlingen, met hem meevechten tegen Engeland? Prima, maar dan moet hij eerst zijn bekwaamheden als ridder tonen. Geen probleem, vindt Dirk. Aanstormend op zijn strijdros ramt hij zijn strijdhamer in de borstplaat van een losstaand harnas. Maar dan gaat het mis. Het wapen blijft hangen, het paard struikelt en de heer Van Teijlingen stort met harnas en al ter aarde. Oei, dat zat niet in het programma! [1] 
    • Zij zouden vinden niet een koning op een troon, stralende in luister, geen held op een strijdros gezeten, of iets dergelijks, maar een Kindeke. (...) [2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Reformatorisch Dagblad Addy de Jong 13-08-2018 Historisch Festijn: Floris V terug op het Binnenhof
  2. Reformatorisch Dagblad Jan van ‘t Hul 23-12-2011 Een ”brefos”, een wichtje in de kribbe
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be