strijdgewoel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

strijdgewoel bij het beleg van Alkmaar
Uitspraak
Woordafbreking
  • strijd·ge·woel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord strijdgewoel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

strijdgewoel o [1]

  1. alle drukte die gepaard gaat met een gevecht
    • Voorspel de uitslag in onze spannende lezerswedstrijd ‘Win uw eigen zetel’. Bewijs dat u kijk heeft op het strijdgewoel van het Binnenhof en de stemming in ons land. Misschien ontpopt u zich tot de ‘nieuwe’ Maurice de Hond en laat u alle professionele onderzoekers de hielen zien. [2] 
    • Het strijdgewoel in het openluchttheater Hertme verliep gelukkig zonder bloedvergieten. Zo’n 250 acteurs, figuranten, muzikanten, ruiters en vrijwilligers werken mee aan de vier voorstellingen die vanaf Hemelvaartsdag dagelijks tot en met zondag worden gehouden. [3] 
    • Van Avermaet begeeft zich in dergelijke sprints zelden in het strijdgewoel. "Ik doe er meestal niet aan mee. Ik weet dat die mannen niet remmen. Als ze voor je zoiets doen, lig je erbij. Ik kan een rol spelen in zo'n sprint maar ik durf gewoon niet. Als je valt kan het ook het einde van je carrière zijn." [4] 
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen