vloeien

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vloei·en
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vloeien
vloeide
gevloeid
zwak -d volledig

Werkwoord

vloeien

  1. (ergatief) zacht stromen
    De honing was uit de omgevallen pot gevloeid.
  2. ~ van papier: inkt opzuigen
  3. (overgankelijk) met vloeipapier droogmaken
    Hij vloeide voorzichtig het opstel dat hij met zijn kroontjespen geschreven had.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

vloeien mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord vloei