stipt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stipt
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘nauwgezet’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1704 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen stipt stipter stiptst
verbogen stipte stiptere stiptste
partitief stipts stipters -

Bijvoeglijk naamwoord

stipt

  1. precies op tijd komend
    • Het is vreemd dat hij er niet is, want hij is altijd zo stipt. 
  2. nauwgezet.
    • Stipte naleving hiervan is vereist. 
Vertalingen

Bijwoord

stipt

  1. met grote precisie
    • Deze aanwijzingen moeten stipt opgevolgd worden voor het beste resultaat. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Werkwoord

vervoeging van
stippen

stipt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stippen
    • Jij stipt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stippen
    • Hij stipt. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van stippen
    • Stipt! 

Verwijzingen