spontaan

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spon·taan
Woordherkomst en -opbouw
  • Frans
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen spontaan spontaner spontaanst
verbogen spontane spontanere spontaanste
partitief spontaans spontaners -

Bijvoeglijk naamwoord

spontaan

  1. (van handelingen en uitingen) uit een opwelling voortkomend, niet uitgelokt of door een ander teweeggebracht: een spontane hulde, ontboezeming.
    • Een spontaan applaus klinkt op. 
    • De productie werd door een spontane staking stilgelegd. 
  2. (van personen) geneigd zijn opwellingen aanstonds te uitten: mensen, spontaan in vreugde en verdriet.
    • De jury prees haar spontane uitstraling. 
  3. (van biologische verschijnselen) niet door uitwendige oorzaken bewerkt, vanzelf optredend: een spontane infectie; spontaan geïnfecteerd.
    • De streek wordt geteisterd door spontane branden. 
    • De ziekte ontstaat als gevolg van een spontane mutatie. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.