speaker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spea·ker
Woordherkomst en -opbouw

uit het Engels to speak

enkelvoud meervoud
naamwoord speaker speakers
verkleinwoord speakertje speakertjes

Zelfstandig naamwoord

speaker m

  1. (beroep) (politiek) omroeper, voorzitter Angelsaksich parlement
    • De speaker vroeg herhaaldelijk om stilte toen de parlementariërs luid door elkaar aan het praten waren. 
  2. (elektronica) een apparaat dat een elektrisch signaal omzet naar geluid
    • Hij had twee grote speakers in zijn huiskamer. 
Synoniemen
  1. luidspreker, luidsprekerbox

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie