sparing

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spa·ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sparing sparingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

sparing v [1]

  1. kleine ruimte die is opengelaten
     Enkele gasten van het bruidspaar moeten bijna halsbrekende toeren uithalen om bij het toilet te komen; want het toilet is op deze verkiezingsdag in het Almelose stembureau en toegankelijk via een kleine sparing tussen de schotten.[2]
  2. het niet gestraft of vernietigd worden
     Daar nu deze gelovigen zo zuchten over Jeruzalems gruwelen en uitroepen om bewaring daartegen en tegen de plagen die daarop volgen, is het geen wonder dat aan hen sparing en bewaring beloofd wordt.[3]
  3. het sparen
  4. het gespaarde
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

74 % van de Nederlanders;
63 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron Wim Goorhuis en Ferry de Goeijen “Burak en Aysen trouwen in Almelo naast de stemhokjes: 'Wisten wij ook niet'” (21-03-2018), Tubantia
  3. Bronlink Weblink bron “Getuigen getekend” (12-12-2012), Reformatorisch Dagblad
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be