solde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sol·de
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘uitverkoopartikel’ voor het eerst aangetroffen in 1950 [1]
  • [zelfstandig naamwoord]: van Frans solde (vooral in België gangbaar) [2]
  • [werkwoord}: sol met de uitgang -de
enkelvoud meervoud
naamwoord solde solden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

solde m/v

  1. verkoop van oude winkelvoorraad tegen verlaagde prijzen
  2. afgeprijsd artikel
  3. loon van soldaten
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
sollen

solde

  1. enkelvoud verleden tijd van sollen
    • Ik solde. 
    • Jij solde. 
    • Hij, zij, het solde. 

Gangbaarheid

36 % van de Nederlanders;
43 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Frans

Werkwoord

vervoeging van
solder

solde

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van solder
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van solder
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van solder