smak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • smak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord smak smakken
verkleinwoord smakje smakjes

Zelfstandig naamwoord

smak

  1. v/m (scheepvaart) verouderd een vaartuig zonder onderra dat zich met de kustvaart en visvangst bezig hield.[2] [3]
    • In het ruim van een smak kon van alles en nog wat gegooid worden. 
  2. m een val eindigend in een luide plof.
    • Hij maakte een lelijke smak en brak zijn rechterbeen. 
  3. ploppend, met de mond voortgebracht geluid [4]
  4. (informeel) klapzoen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. blz. 219 Zeemans-woordeboek
    Jacob van Lennep
    Uigegeven te Amsterdam, Gebroeders Binger 1856.
  3. etymologiebank.nl (scheepstype)
  4. etymologiebank.nl (geluid)

Werkwoord

vervoeging van
smakken

smak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smakken
    • Ik smak. 
  2. gebiedende wijs van smakken
    • Smak! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smakken
    • Smak je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie