smak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • smak
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘scheepstype’ voor het eerst aangetroffen in 1527 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord smak smakken
verkleinwoord smakje smakjes

Zelfstandig naamwoord

smak

  1. v/m (scheepvaart) verouderd een vaartuig zonder onderra dat zich met de kustvaart en visvangst bezig hield.[3] [4]
    • In het ruim van een smak kon van alles en nog wat gegooid worden. 
  2. m een val eindigend in een luide plof.
    • Hij maakte een lelijke smak en brak zijn rechterbeen. 
  3. ploppend, met de mond voortgebracht geluid [5]
  4. (informeel) klapzoen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Verwijzingen

Werkwoord

vervoeging van
smakken

smak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smakken
    • Ik smak. 
  2. gebiedende wijs van smakken
    • Smak! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smakken
    • Smak je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be