smakken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • smak·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
smakken
smakte
gesmakt
zwak -t volledig

Werkwoord

smakken

  1. smijten, krachtig neergooien
    • De jongens smakten hun fietsen op de grond. 
  2. neervallen zonder dat de val gebroken wordt
    • Bij de botsing smakte de voetganger tegen een paaltje. 
  3. een klappend geluid met de mond maken bij gretig eten of zoenen
    • De maaltijd was zo lekker, dat de jongens hem smakkend verorberden. 
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

smakken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord smak

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.