sloping

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slo·ping
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sloping slopingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

sloping v [1]

  1. kapot maken van iets dat eerst gebouwd is
    • Hij staat op de bres voor oude instituties als de overlegeconomie en waarschuwt dat sloping daarvan zal leiden tot sociaal-maatschappelijke onthechting. [2] 
    • Hij kan dus geen Europese besluiten velen die in eigen land impopulair zijn. Vandaar de sloping van stabiliteitspact en dienstverleningsvrijheid, en Europa helpt hem daarbij, omdat het ook graag wil dat Frankrijk ja zegt op de grondwet. [3] 
    • Zelfs een nationaal museum zal er eindelijk komen, na een historie van meer dan twee eeuwen mislukkingen. Mooi, mooi, werkelijk waar. Maar wat staat daar tegenover? Sloping, desinteresse, praatjes voor de vaak, sensatiebeluste historie, kneutergeschiedenis, oplichting, verkitsching van de historie, geschiedenis als pretpark en kermisattractie. Ik kan niet meedoen met het gejuich over de opbloei van de historische belangstelling omdat ik zoveel veinzerij zie. Veel van wat historische belangstelling genoemd wordt, zie ik als historische sensatiezucht. [4] 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

58 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Frank van Empel 22 mei 1996 Een socialistische visie op het Nederlandse kapitalisme
  3. NRC J.L. Heldring 31 maart 2005 Het sloopwerk is al begonnen
  4. NRC Marita Mathijsen 19 december 2009 Ik was, dus ik ben