sloperij

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

sloperij met stapel schroot
Uitspraak
Woordafbreking
  • slo·pe·rij
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sloperij sloperijen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

sloperij v

  1. (bedrijf) bedrijf waar oude spullen uit elkaar gehaald worden om de onderdelen (als grondstrof) weer te kunnen verkopen
    • Nummer dertien was het laatste huis aan de rechterkant. Een villa met witgepleisterde muren en gesloten rolluiken. In vergelijking met die van de buren leek de tuin op een sloperij. Her en der verspreid lagen een oude wasmachine, een koelkast, een grasmaaier en andere afgedankte apparaten. In de oprit naast het huis stond een auto zonder wielen op houtklossen. In de hoek van de tuin was iets wat leek op een kippenren of een hondenkennel, maar Chantal hoorde geen dierengeluiden. [1] 
    • Op de terugweg in Spanje ging de startmotor van mijn auto stuk. Ik ging naar een sloperij, ik wilde de auto daar achterlaten. Maar die man wou hem niet hebben. Ik vroeg hem: wat moet ik er dan mee doen? Hij wees naar de bergen. Toen ben ik de bergen in gereden en heb de auto naar beneden geduwd. Vonkend en schrapend en schreeuwend ging hij het ravijn in. In Nederland zou je nooit een auto kwijt kunnen raken op die manier [2] 
    • Mama Shu zei ‘hai Paul’ en ‘hai Hedwig’, en zette een flesje Grolsch voor Paul neer en een glas cola voor Hedwiges. De piraat bedankt cafetaria’s, loonbedrijven, houtzagerijen en sloperijen voor de steun aan de zender. Paul wist hem te zitten, in een schuur achter aan de Tien Ellenweg; soms was de doffe basdreun tot in de wijde omtrek te horen. [3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Berg, Michael Een echte vrouw [2010] ISBN 978-90-443-2721-2 pagina 36
  2. de Standaard VRIJDAG 3 MAART 2017
  3. Tubantia Theo Hakkert 25-oktober-2017