sigaret

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • si·ga·ret
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘rol tabak in papier om te roken’ voor het eerst aangetroffen in 1869 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord sigaret sigaretten
verkleinwoord sigaretje sigaretjes

Zelfstandig naamwoord

sigaret v/m

  1. rolletje fijngekorven tabak in een omhulsel van speciaal papier, om daarin gerookt te worden
    • Sigaretten zijn slecht voor de gezondheid. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen