shock

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • shock
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Engels [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord shock shocks
verkleinwoord shockje shockjes

Zelfstandig naamwoord

shock m

  1. (medisch) een toestand die ontstaat door acute te geringe bloedtoevoer naar weefsels door ondervulling van het slagaderlijk systeem.
    Let op, emotionele of psychologische shock heeft niets met het medische begrip shock te maken!!
    • De patiënt is in een acute shock geraakt. 
  2. heftige emotie
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
shocken

shock

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van shocken
    • Ik shock. 
  2. gebiedende wijs van shocken
    • Shock! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van shocken
    • Shock je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen