Naar inhoud springen

selle

Uit WikiWoordenboek
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  selle     la selle     selles     les selles  

selle v

  1. zadel
  2. (spreektaal) wc, toilet
    «'Comment sont vos selles?', m'a demandé le toubib.»
    'Hoe is het met uw stoelgang?', vroeg de dokter me. [1]
vervoeging van
seller

selle

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van seller
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van seller
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van seller

selle g

  1. de maand februari
  • sel·le

selle

  1. accusatief mannelijk enkelvoud van seller
    «Gedechtnisdaag in Amerikaa: Do sin ee paar Wadde iwwer selle Feierdaag: ...»
    Memorial Day in de Verenigde Staten: Hier zijn een paar woorden over deze feestdag: ...
vervoeging van
sellar

selle

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van sellar
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van sellar
  3. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van sellar