season

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to season
he/she/it seasons
verleden tijd seasoned
voltooid
deelwoord
seasoned
onvoltooid
deelwoord
seasoning
gebiedende wijs season

Werkwoord

season

  1. (overgankelijk), (kookkunst) kruiden
  2. (overgankelijk) (om hout) rijp laten worden
Afgeleide begrippen
Naar frequentie 842 (naamwoord)


enkelvoud meervoud
season seasons

Zelfstandig naamwoord

season

  1. seizoen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • in good season
vroeg genoeg
  • in season
van het seizoen
  • out of season
niet van het seizoen