schuilhut

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Schuilhut in natuurgebied Delleboersterheide
Uitspraak
Woordafbreking
  • schuil·hut
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schuilhut schuilhutten
verkleinwoord schuilhutje schuilhutjes

Zelfstandig naamwoord

schuilhut v/m [1]

  1. een plaats waar men kan schuilen of zichzelf kan verschuilen
    • „In Afrika is het ’s nachts ook rond het vriespunt. Cheeta’s zijn daarop gebouwd. Ze krijgen ’s winters een dikkere vacht. We hebben bovendien in hun schuilhut buiten een extra dikke laag stro gelegd, zodat ze daar lekker warm bij elkaar kunnen kruipen.”[2] 
    • Ze leren vuur maken (zonder lucifers natuurlijk), spoorzoeken, hindernissen nemen en een schuilhut bouwen. Er komen wolvenkenners en een natuurdetective en ze leren vaardigheden die nodig zijn om een echte boswachter van OERRR te worden, met een badge als bewijs.[3] 
    • Er is onduidelijkheid of het ook mogelijk is om via de SPOT die reisleiding bij zich had, ook een minder urgent signaal uitgezonden had kunnen worden. Nu wisten de Noren wel de locatie van de Nederlanders (bij een schuilhut), maar niet of zij in goede gezondheid of gewond en in acute nood waren.[4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen